Verrekening Factuur


ECLI:NL:RBMNE:2022:818 – Verrekening van onbetaalde factuur i.v.m. herstelwerkzaamheden. Ondeugdelijkheid onvoldoende onderbouwd.

Tip! Indien u wilt verrekenen is een deugdelijke onderbouwing van uw stelling dat er ondeugdelijk werk geleverd is cruciaal. Tevens dient herstel door opdrachtnemer niet meer mogelijk te zijn dan wel afgewezen te zijn. Deze case maakt dit duidelijk.


Waar gaat het over?

Ondeugdelijk Werk?

[handelsnaam 1] heeft in november 2020 in opdracht van [gedaagde] stukadoorswerkzaamheden verricht. Partijen hebben afgesproken dat het werk op 16 november 2020 klaar zou zijn. Op 16 november 2020 hebben [handelsnaam 1] en [gedaagde] het werk samen bekeken. [gedaagde] was toen nog niet tevreden over het werk en heeft [handelsnaam 1] tot eind van die middag de tijd gegeven om het op te lossen. [handelsnaam 1] is vervolgens weer aan het werk gegaan. [handelsnaam 1] en [gedaagde] hebben daarna niet opnieuw samen het resultaat bekeken. 

Op 19 november 2020 heeft [gedaagde] aan [handelsnaam 1] laten weten dat hij niet tevreden is over het werk, dat hij een derde zal inschakelen voor de herstelwerkzaamheden en dat hij de (aangepaste) factuur van [handelsnaam 1] niet zal betalen totdat die werkzaamheden zijn uitgevoerd.

[handelsnaam 1] heeft vervolgens op 21 november 2020 kenbaar gemaakt dat hij de mogelijkheid wil krijgen om het werk te herstellen. Er volgt meer correspondentie tussen partijen. Uiteindelijk stelt [gedaagde] [handelsnaam 1] op 28 november 2020 in de gelegenheid om op 30 november 2020 het werk te herstellen. [handelsnaam 1] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt. [handelsnaam 1] en [gedaagde] hebben daarna niet samen gekeken naar het resultaat van het werk van [handelsnaam 1] .

[handelsnaam 1] heeft op 28 november 2020 een factuur van € 1.717,50 voor zijn werkzaamheden aan [gedaagde] verstuurd. [gedaagde] heeft deze factuur niet betaald. [handelsnaam 1] vordert in deze procedure betaling van de factuur, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 257,63 en de proceskosten. 

[gedaagde] stelt dat [handelsnaam 1] de stukadoorswerkzaamheden niet deugdelijk heeft uitgevoerd. [gedaagde] stelt dat hij aanspraak kan maken op een vervangende schadevergoeding ter hoogte van de kosten (€ 5.759,68) die hij heeft gemaakt om het werk te herstellen. [gedaagde] wil een deel van zijn vordering verrekenen met de vordering van [handelsnaam 1] . Voor het overige deel (€ 4.042,18) vordert [gedaagde] in reconventie betaling. [gedaagde] heeft ook gevorderd dat [handelsnaam 1] zijn proceskosten betaalt.

Verrekening Factuur
Incasso-gerelateerde conflicten gaan vaak over verrekening van facturen

Beoordeling

Opeisbaarheid Factuur

[gedaagde] heeft gesteld dat de factuur niet opeisbaar is, omdat het werk niet is opgeleverd. [gedaagde] heeft echter op 28 november 2020 (nog voordat [handelsnaam 1] voor het laatst werkzaamheden heeft verricht) de factuur van [handelsnaam 1] geaccepteerd, met dien verstande dat daarop nog aanpassingen door [handelsnaam 1] zouden worden toegepast. [handelsnaam 1] heeft onweersproken gesteld dat hij de factuur heeft aangepast. Ook na 30 november 2020 heeft [gedaagde] de opeisbaarheid van de factuur niet betwist: hij heeft namelijk op 2 december 2020 aan [handelsnaam 1] laten weten dat hij de kosten van het herstel zal verrekenen met de factuur. De kantonrechter volgt de stelling van [gedaagde] daarom niet. [gedaagde] is in beginsel dus betaling van de factuur verschuldigd, tenzij zijn beroep op verrekening met zijn vordering uit hoofde van vervangende schadevergoeding slaagt.

Herstelwerkzaamheden

Op 2 december 2020 om 22:14 uur heeft [gedaagde] per e-mail aan [handelsnaam 1] laten weten dat hij het niet eens is met het resultaat van de laatste herstelwerkzaamheden van [handelsnaam 1] , dat die dag een andere stukadoor is begonnen om het werk te herstellen en dat hij de kosten daarvan zal verrekenen met de factuur van [handelsnaam 1] . Er is volgens [gedaagde] door [handelsnaam 1] gestukt met onvoldoende licht, de oppervlakte is niet sausklaar, er zitten oneffenheden op de muren en de muren zijn niet glad of recht. Ook is er volgens [gedaagde] niet afgemetst, gesponst of afgepleisterd.

[gedaagde] geeft in zijn bericht ook aan dat het vertrouwen in het werk van [handelsnaam 1] ‘ver te zoeken’ is. In plaats van nakoming of herstel door [handelsnaam 1] , vordert [gedaagde] nu een vervangende schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:87 BW. Uit artikel 6:87 BW volgt dat voor zover nakoming van een verbintenis niet al blijvend onmogelijk is, de verbintenis kan worden omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding als de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser hem schriftelijk mededeelt dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert.

[handelsnaam 1] betwist dat hij het werk op 30 november 2020 ondeugdelijk heeft uitgevoerd. Toen [handelsnaam 1] het werk op die dag achter liet zag het er goed uit, mede gelet op de ondergrond waarop het was aangebracht. Volgens [handelsnaam 1] bestaat de mogelijkheid dat op een later moment zichtbaar is geworden dat het stukwerk op de OSB-platen minder goed is opgedroogd, omdat OSB-platen vocht opnemen en uitzetten. [gedaagde] heeft [handelsnaam 1] echter opdracht gegeven om de OSB-platen te stuken, zodat volgens [handelsnaam 1] een eventueel gebrek op dat punt niet voor zijn rekening kan komen.

Onderbouwing Ontbreekt

De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat [handelsnaam 1] op 30 november 2020 is tekortgeschoten in de nakoming van zijn contractuele verbintenis om het overeengekomen werk deugdelijk uit te voeren. Daarvoor is relevant dat [gedaagde] weliswaar in zijn e-mail van 2 december 2020 heeft benoemd wat er volgens hem niet deugt, maar dat op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Nergens blijkt objectief uit wat de staat van het werk was voordat de andere stukadoor op 2 december 2020 begon aan het werk. [gedaagde] had tijdens de mondelinge behandeling alleen de beschikking over foto’s van het werk voor 30 november 2020.

Een en ander leidt er volgende de rechter toe dat niet is vast te stellen dat er nog sprake was van een gebrek of ondeugdelijk werk na de herstelwerkzaamheden van [handelsnaam 1] op 30 november 2020. Dat geldt ook voor het stukwerk op de OSB-platen, ten aanzien waarvan [handelsnaam 1] heeft verklaard dat vanwege de eigenschappen van dat materiaal het mogelijk is dat die minder goed zijn opgedroogd. Voor dat onderdeel van het werk geldt bovendien dat [gedaagde] pas tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht wat de staat van het stukwerk op de OSB-platen in de badkamer zou zijn. [handelsnaam 1] was daarmee nog niet bekend; hij is dus niet in gebreke gesteld om binnen een redelijke termijn eventuele gebreken op dat specifieke punt te herstellen en dat is wel vereist, ook als hij al ten aanzien van andere punten in gebreke zou zijn gesteld.

De vordering van [gedaagde] tot vervangende schadevergoeding is daarom niet toewijsbaar. Het beroep op verrekening faalt daardoor en de vordering van [gedaagde] (in reconventie) tot betaling van € 4.042,18 wordt als gevolg van het voorgaande ook afgewezen.

Wellicht ook interessant? Betaaltermijn Facturen.