Tekortkoming pas na verzuim

Rechtspraak, HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:141 Kernvraag: wanneer is er sprake van een tekortkoming als gevolg van niet-tijdig presteren (niet-nakoming). Volgens eiser is verweerder ingevolge art. 6:83 BW zonder ingebrekestelling in verzuim gekomen.


Geschil

In het geding is of eiser de overeenkomst tussen partijen met succes buitengerechtelijk heeft ontbonden. Volgens eiser is verweerder ingevolge art. 6:83 BW zonder ingebrekestelling in verzuim gekomen, omdat sprake was van een fatale termijn in de zin van art. 6:83, aanhef en onder a, BW die afliep op 31 december 2011, en omdat het verzuim overeenkomstig art. 6:83, aanhef en onder c, BW reeds voor de genoemde datum intrad omdat uit mededelingen van verweerder op 6 december 2011 bleek dat hij niet uiterlijk 31 december 2011 zou gaan afnemen. Verweerder betwist dat 31 december 2011 als fatale termijn is overeengekomen.

Hof

Het hof start door te overwegen dat ingevolge art. 6:83, aanhef en onder a, BW tussen partijen overeengekomen termijnen in beginsel een fataal karakter hebben. De inhoud van de overeenkomst, de aard van de verbintenis en de omstandigheden van het geval kunnen, aldus het hof, echter tot de conclusie voeren dat de termijn geen ingebrekestellende kracht heeft. Het ligt volgens het hof op de weg van verweerder feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting te bewijzen, waaruit dat kan volgen.

Volgens het hof staat vast ast dat partijen over levering uiterlijk 31 december 2011 hebben gesproken, zij het dat onduidelijk is in welke bewoordingen precies. De vraag is volgens het hof hoe dat besprokene in het licht van de omstandigheden moet worden uitgelegd, waarbij het aankomt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Tekortkoming pas na verzuim
Tekortkoming pas na verzuim

Het hof zoomt in op de feiten en omstandigheden van het geval en overweegt:

” De woorden ‘uiterlijk 31 december 2011’ betekenen in het algemeen spraakgebruik ‘niet later dan 31 december 2011’ maar hoeven niet per se te betekenen dat de termijn fataal is, in die zin dat bij overschrijding zonder verdere ingebrekestelling direct verzuim zal intreden. Dat hangt af van de context waarbinnen dit is gezegd en de overige feiten en omstandigheden van het geval. “

Volgens het hof is gesteld noch gebleken dat partijen in zodanige bewoordingen over levering per 31 december 2011 hebben gesproken dat verweerder wel moest begrijpen dat die termijn een fataal karakter had. Voorts staat vast dat er door partijen niets schriftelijk is vastgelegd. Eiser heeft als getuige verklaard dat hij dit niet nodig vond. Uit de getuigenverklaringen en het verhandelde ter zitting van het hof leidt het hof af dat niet in detail over wederzijdse rechten en plichten is gesproken en dat de mondelinge overeenkomst vlot tot stand is gekomen. De door eiser voorgebrachte getuige (…) sprak aanvankelijk zelfs over een gesloten ‘intentieovereenkomst’, (…). De keuze van eiser om niet schriftelijk vast te leggen dat bij niet afnemen uiterlijk 31 december 2011 zonder ingebrekestelling het verzuim zou intreden kon eraan bijgedragen dat bij de andere partij ([verweerder]) een meer vrijblijvende opvatting kon postvatten over wat er bedoeld werd met de woorden ‘uiterlijk 31 december 2011’.

In het licht van al het voorgaande is het hof van oordeel dat verweerder de afspraak redelijkerwijs zo mocht begrijpen als hij heeft gedaan, namelijk dat hij niet eerder hoefde te presteren dan 31 december 2011, echter zonder dat hij bij uitblijven van presteren op die datum direct in verzuim zou zijn, althans dat de overeenkomst dan direct zou kunnen worden ontbonden. Door eiser is onvoldoende gesteld dat tot een ander oordeel zal kunnen leiden, zodat aan het leveren van tegenbewijs niet wordt toegekomen.

Het hof overweegt tot slot:

” Voor zover eiser van oordeel is dat uit de door hem overgelegde transcriptie van het gesprek van 6 december 2011 blijkt dat partijen in juli 2011 een fatale termijn zijn overeengekomen, deelt het hof dat oordeel niet. (…) [U]it de hiervoor aangehaalde gespreksfragmenten blijkt naar het oordeel van het hof niet meer dan dat partijen het er op 6 december 2011 over eens zijn dat dat tussen hen in juli 2011 is gesproken over afname van het pand uiterlijk einde 2011, zonder dat een financieringsvoorbehoud is gemaakt.”

Het had naar het oordeel van het hof dan ook op de weg van eiser gelegen om, toen hij uit het gesprek van 6 december 2011 meende te kunnen concluderen dat verweerder niet eind 2011 zou kunnen afnemen, verweerder in gebreke te stellen opdat hij een redelijke termijn zou hebben gekregen om het intreden van verzuim te voorkomen. In plaats daarvan is eiser zonder nadere aankondiging op 29 december 2011 direct tot ontbinding overgegaan, zonder dat toen sprake was van verzuim. Het hof voegt daar aan toe dat niet door eiser is gesteld dat tijdens het gesprek op 6 december 2011 tevens door verweerder is gezegd, of uit zijn verklaringen of gedragingen viel op te maken, dat hij ook na 31 december 2011 niet zou nakomen.

Hoge Raad

Volgens de Hoge Raad klaagt het onderdeel dat het hof heeft miskend dat de afspraak om het pand uiterlijk 31 december 2011 te leveren, een verbintenis voor verweerder meebracht om het pand binnen die overeengekomen termijn af te nemen. De Hoge Raad gaat hierin mee:

” Het oordeel van het hof dat die datum niet als een fatale termijn kan worden aangemerkt, brengt slechts mee dat het verzuim van [verweerder] niet intreedt op de grond genoemd in art. 6:83, aanhef en onder a, BW. Maar aangezien in cassatie (….) moet worden aangenomen dat eiser uit het gesprek op 6 december 2011 mocht concluderen dat verweerder niet eind 2011 zou kunnen afnemen, is sprake van een situatie als bedoeld in art. 6:83, onder c, BW, te weten dat de schuldeiser ([eiser]) uit een mededeling van de schuldenaar ([verweerder]) heeft moeten afleiden dat deze zal tekortschieten in de nakoming van de verbintenis (om het pand uiterlijk 31 december 2011 af te nemen). Het hof heeft daarom miskend dat, ook als de datum van 31 december 2011 geen fatale termijn was, het verzuim van verweerder zonder ingebrekestelling is ingetreden op de grond genoemd in art. 6:83, aanhef en onder c, BW (…).”

Ons hoogste rechtscollege vervolgt:

” Onderdeel 3 klaagt in het verlengde daarvan dat het hof in het dictum ten onrechte, althans onbegrijpelijk, (ook) de door eiser gevorderde verklaring voor recht heeft afgewezen dat verweerder toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenis. Ook als de overeengekomen termijn ‘uiterlijk 31 december 2011’ geen fataal karakter heeft, neemt dat niet weg dat op verweerder de verbintenis rustte het pand binnen die overeengekomen termijn af te nemen en dat, nu zodanige afname is uitgebleven, [verweerder] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van die verbintenis, aldus onderdeel 3.”

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad heeft een ingebrekestelling niet de functie om ‘het verzuim vast te stellen’, maar om de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven en aldus nader te bepalen tot welk tijdstip nakoming nog mogelijk is zonder dat van een tekortkoming sprake is, bij gebreke van welke nakoming de schuldenaar vanaf dat tijdstip in verzuim is.

Hiermee strookt naar het oordeel van de Hoger Raad dat pas sprake is van een tekortkoming wegens niet tijdig presteren (ervan uitgaande dat nakoming nog mogelijk is), indien de schuldenaar in verzuim is. De Hoge Raad overweegt in dit verband:

” Het hof heeft de overeenkomst tussen eiser en verweerder aldus uitgelegd (…) dat de in die overeenkomst afgesproken leveringstermijn van ‘uiterlijk 31 december 2011’ geen fatale termijn was als bedoeld in art. 6:83, onder a, BW, en dat verweerder daarom niet in verzuim is gekomen door het laten verstrijken van die termijn zonder het pand af te nemen. Daaruit volgt, gelet op hetgeen hiervoor (…) is overwogen, dat het feit dat verweerder het pand niet binnen die termijn heeft afgenomen, nog geen tekortkoming van hem opleverde. 

De Hoge Raad overweegt:

” Ervan uitgaande dat de datum van 31 december 2011 geen fatale termijn was, is de mededeling van verweerder in het gesprek van 6 december 2011 dat hij het pand niet uiterlijk 31 december 2011 zou kunnen afnemen, onvoldoende voor het oordeel dat eiser daaruit moest afleiden dat verweerder in de nakoming van zijn verbintenis zou tekortschieten, zoals bedoeld in art. 6:83, onder c, BW. Ook op grond van laatstgenoemde bepaling is verweerder dus niet in verzuim gekomen. Het hof heeft in dat verband terecht in aanmerking genomen dat niet gesteld is dat verweerder heeft gezegd (of uit zijn verklaringen of gedragingen viel op te maken) dat hij ook na 31 december 2011 niet zou nakomen. Daarin ligt het juiste oordeel besloten dat, nu 31 december 2011 niet als een fatale termijn kon worden aangemerkt en verweerder niet in gebreke was gesteld, hij het pand nog na die datum kon afnemen zonder dat hij als gevolg van ‘niet tijdig’ presteren in verzuim zou komen (en daarmee zou tekortschieten)

De Hoge Raad vervolgt:

” Een en ander brengt tevens mee dat geen grond bestond voor toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht dat verweerder, door het pand niet uiterlijk 31 december 2011 af te nemen, toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenis.”

Het beroep van eiser wordt door ons hoogste rechtscollege verworpen en eiser wordt veroordeelt in de kosten van het geding.