Mag rechter in B2B-relatie bedongen incassokosten ambtshalve matigen?

HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1868 – Matiging Incassokosten: Mag rechter in b2b-relatie bedongen incassokosten ambtshalve matigen? Inperking contractuele vrijheid zakelijke overeenkomsten.


Inperking Contractuele Vrijheid?

Deze rechtszaak beantwoord de vraag of een rechter incassokosten ambtshalve mag matigen welke door partijen bedongen zijn in een zakelijke relatie (b2b). Indien deze vraag met ‘ja’ beantwoord wordt (in casu het geval), betekent dit een inperking van contractuele vrijheid.

Gelijkwaardigheid

Uitgangspunt van contractuele vrijheid is dat (min of meer) gelijkwaardige partijen (en dat zijn bedrijven over het algemeen) hun contractuele verplichtingen over en weer tot op zekere hoogte zelf regelen. Er is geen sprake van dwingend recht. De BIK is in dit perspectief enkel aanvullend recht en geldt dus enkel indien partijen zelf niets contractueel geregeld hebben.

Art. 6:44 BW

De eerste prejudiciële vraag die in deze zaak beantwoordt dient te worden luidt of buitengerechtelijke incassokosten onder het begrip “kosten” van art. 6:44 BW vallen.

Matiging Incassokosten

Daarnaast wordt zoals opgemerkt de vraag beantwoord of een rechter de bevoegdheid heeft om in B2B-relatie buitengerechtelijke incassokosten ambtshalve te matigen, dus op eigen initiatief. In dit artikel wordt op deze vraag het meest ingezoomd.

Mag rechter in B2B-relatie bedongen incassokosten ambtshalve matigen?
Mag rechter incassokosten ambtshalve matigen?

Uitgangspunten en feiten

Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten.

Partij A heeft in 2012 aan Partij B bouwmaterialen verkocht en geleverd. In verband daarmee heeft zij facturen aan B gezonden. De algemene voorwaarden van A zijn op de verhouding van partijen van toepassing. B heeft vijf van de toegezonden facturen, niet tijdig betaald.

De advocaat van A heeft B gesommeerd € 29.299,07 te betalen vóór 23 augustus 2012, zijnde de toepasselijke hoofdsom, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten en btw. B betaalt daarop ‘slechts’ € 23.525,49.

Vordering

In dit geding vordert A veroordeling van B tot betaling van € 5.333,10. Zij stelt dat de betalingen van B in mindering strekken op achtereenvolgens de verschenen rente, de buitengerechtelijke kosten en de hoofdsom, en dat het gevorderde bedrag het onbetaald gebleven gedeelte van de hoofdsom is.

Lagere Rechter

De kantonrechter oordeelt dat buitengerechtelijke kosten geen kosten in de zin van art. 6:44 BW zijn en dat de betalingen in mindering strekken op de verschenen rente en de hoofdsom. De kantonrechter heeft de gevorderde hoofdsom toegewezen tot een bedrag van € 1.296,24 en heeft als buiten-gerechtelijke kosten € 300,– toegewezen.

Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt als volgt over de eerste prejudiciële vraag: 

” Art. 6:44 lid 1 BW bepaalt dat betaling van een op een bepaalde verbintenis toe te rekenen geldsom strekt in mindering van eerst de kosten, dan de verschenen rente en daarna de hoofdsom en de lopende rente. De prejudiciële vraag stelt aan de orde of buitengerechtelijke incassokosten vallen onder het begrip ‘kosten’ in deze bepaling.”

Aanknopingspunten vindt de Hoge Raad in de parlementaire geschiedenis met verwijzing naar het Duitse recht:

“Het begrip ‘kosten’ in § 367 BGB omvat onder meer kosten die naar Nederlands recht als buitengerechtelijke incassokosten worden aangemerkt.

Aanknopingspunten vindt de Hoge Raad tevens in andere regelgeving:

” Aanvaarding van de opvatting dat buitengerechtelijke incassokosten vallen onder het begrip “kosten” in art. 6:44 BW is in overeenstemming met de omstandigheid dat na de inwerkingtreding van art. 6:44 BW bij de totstandkoming van andere wetgeving, onder meer bij de regels over de inning van alimentatie, premies zorgverzekering en bestuursrechtelijke geldschulden, tot uitgangspunt is genomen dat buitengerechtelijke incassokosten vallen onder het begrip ‘kosten’ van art. 6:44 lid 1 BW (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.33-3.38).

Van artikel 6:44 BW gaat voorts een beschermende werking uit. De Hoge Raad overweegt:

” Art. 6:44 BW is in de plaats gekomen van art. 1433 (oud) BW, dat inhield dat een schuldenaar niet zonder toestemming van zijn schuldeiser kon bepalen dat een betaling op een rentedragende schuld strekt in mindering op de hoofdsom in plaats van op de rente. Deze regel beschermde de schuldeiser van een rentedragende vordering tegen ongerechtvaardigd verlies van zijn aanspraak op rente.”

In het licht van het voorgaande moet volgens de Hoge Raad worden aangenomen dat art. 6:44 BW de strekking heeft om de schuldeiser tegen schade te beschermen. Daarmee strookt dat buitengerechtelijke incassokosten vallen onder het begrip “kosten” in art. 6:44 BW.

Aldus heeft de schuldeiser aanspraak op de rente over het openstaande gedeelte van de hoofdsom totdat dit gedeelte volledig is voldaan. Aan dit belang van de schuldeiser komt meer gewicht toe dan aan het belang van de niet tijdig betalende schuldenaar.

Matiging

De overige prejudiciële vragen hebben betrekking op de bevoegdheid van de rechter om bedongen buitengerechtelijke incassokosten ambtshalve te matigen (art. 242 Rv).

Buitengerechtelijke incassokosten komen volgens de Hoge Raad als redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte op de voet van art. 6:96 lid 2, aanhef en onder c, BW als vermogensschade in aanmerking voor vergoeding, behoudens voor zover de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn (vgl. HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2797, NJ 2015/84).

Art. 242 Rv bevat regels betreffende de proceskosten als hiervoor bedoeld. Art. 242 lid 1 Rv bepaalt onder meer dat de rechter bedragen die geacht kunnen worden te zijn bedongen ter vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ambtshalve kan matigen, maar niet tot onder het bedrag van de buitengerechtelijke kosten die, gelet op de tarieven volgens welke zodanige kosten aan de opdrachtgevers gewoonlijk in rekening worden gebracht, jegens de wederpartij redelijk zijn.

Deze bepaling stelt, aldus de Hoge Raad, de rechter in staat bedongen buitengerechtelijke (incasso)kosten ambtshalve te matigen tot het bedrag van een redelijke schadeloosstelling (zie de MvA I bij art. 242 Rv, Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht p. 411-412).

De bepaling is volgens ons hoogste rechtscollege onder meer van toepassing op kosten die zijn overeengekomen tussen partijen in ‘business to business’-relaties (hierna: B2B-relaties), dat wil zeggen tussen partijen die geen van beide zijn te beschouwen als een natuurlijke persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

De rechter dient de toepassing van de matigingsbevoegdheid te motiveren. Aan de motivering worden geen strenge eisen gesteld.

Tot hoe ver matiging?

Voor gevallen waarin de betalingsachterstand betrekking heeft op een uit overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot betaling van een geldsom, bevat art. 2 van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (Stb. 2012/141; hierna: BIK) een regeling voor de begroting van de omvang van buitengerechtelijke incassokosten (art. 6:96 lid 5 BW).

Volgens deze regeling geschiedt de normering van buitengerechtelijke incassokosten aan de hand van een forfaitair percentage dat uitsluitend is gerelateerd aan de hoogte van de verschuldigde hoofdsom.

Indien de schuldenaar geen consument is, is art. 2 BIK van aanvullend recht. Hebben professionele partijen onderling niets geregeld, dan is de BIK regeling van toepassing. Hebben partijen in een B2B-setting wel de incassokosten uitdrukkelijk bedongen, dan prevaleert de contractuele regeling boven de BIK-regeling.

Het staat de rechter volgens de Hoge Raad vrij een in een B2B-relatie bedongen incassobedrag ambtshalve te matigen tot het bedrag dat overeenkomstig art. 2 BIK wordt begroot, indien niet wordt gesteld en bij betwisting aannemelijk wordt gemaakt dat de werkelijke kosten hoger zijn dan dat bedrag.

De Hoge Raad vervolgt:

” Weliswaar behoort ook de hoedanigheid van partijen tot de omstandigheden die door de rechter bij zijn beoordeling in aanmerking dienen te worden genomen, maar er is geen aanleiding om aan te nemen dat in een geval van een B2B-relatie zijn beoordelingsvrijheid wordt beperkt door inhoud of strekking van de Wet normering van de vergoeding voor kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (Stb. 2012/140) en het bijbehorende BIK (vgl. de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.26-4.33). Hiermee is de tweede prejudiciële vraag beantwoord.”

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan een incassopercentage dat gebruikelijk is in de branche waarin beide partijen opereren of dat door de schuldenaar zelf in de verhouding tot zijn schuldenaren wordt gehanteerd, volges de Hoge Raad een van de in aanmerking te nemen omstandigheden zijn bij de beoordeling van de redelijkheid van buitengerechtelijke incassokosten. Volgens de Hoge Raad kan echter niet worden aanvaard dat een dergelijk percentage daarbij in beginsel als uitgangspunt zou moeten dienen.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, vloeit volgens de Hoge Raad tot slot voort dat het geen verschil maakt of de schuldeiser met betrekking tot de incasso van zijn vordering op zijn beurt met zijn rechtsbijstandverlener afspreekt dat hij het tussen de schuldeiser en de schuldenaar bedongen vaste of degressieve incassopercentage van de hoofdsom aan zijn rechtsbijstandverlener is verschuldigd. Ook een dergelijke afspraak kan een van de in aanmerking te nemen omstandigheden zijn bij de beoordeling van een vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten waarop de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn.

Daarbij verdient, aldus de Hoge Raad, opmerking dat krachtens art. 242 Rv als uitgangspunt heeft te gelden dat de kosten redelijk moeten zijn jegens de schuldenaar.