Cumulatie boetes en dwangsommen

Rechtspraak, Gerechtshof Amsterdam, ECLI:NL:GHAMS:2020:571, Inhoudsindicatie: Koopovereenkomst OG tussen twee professionele partijen. Cumulatie boete wegens niet-nakoming en boete wegens ontbinding en cumulatie boetebedingen en verbeurde dwangsommen. Geen matiging, mede door handelswijze schuldenaar.


Vordering

Staedion heeft in eerste aanleg, samengevat en zakelijk weergegeven, hoofdelijke veroordeling van Jomo c.s. gevorderd tot betaling aan Staedion van:

i) € 2.164.500,00 zijnde de contractuele boete van drie promille van de koopsom (€ 19.500,00) per dag, te rekenen vanaf 31 december 2015 tot 20 april 2016, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag der verschuldigdheid;

ii) € 650.000,00 zijnde de boete van tien procent van de koopsom, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag der verschuldigdheid;

iii) € 1.000.000,00 zijnde de verbeurde dwangsommen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag der verschuldigdheid;

iv) de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

Daaraan heeft Staedion niet-nakoming van de overeenkomst en niet-naleving van het in kort geding gewezen vonnis ten grondslag gelegd.

Het geschil

Jomo betwist primair dat zij de verschillende boetebedragen en dwangsommen (al dan niet cumulatief) verschuldigd is.  Subsidiair voert zij aan dat onverkorte toepassing van het boetebeding wegens niet-nakoming (‘dagboete’) naast de in het kortgedingvonnis verbeurde dwangsommen voor dezelfde niet-nakoming en met toepassing van het boetebeding wegens ontbinding (‘ontbindingsboete’) onaanvaardbaar is.

De functie van de boete wegens niet-nakoming en van dwangsommen is volges Jomo een prikkel tot nakoming. Die boete en dwangsommen waren zinloos geworden, omdat het duidelijk was dat Jomo niet kon nakomen. Volgens Jomo kan Staedion hoogstens aanspraak maken op de aan de ontbinding gekoppelde boete van 10 % van de koopsom. Deze omstandigheden rechtvaardigen in ieder geval matiging, aldus Jomo.

Staedion voert aan dat Jomo als professionele partij goed wist wat zij deed toen zij de overeenkomst sloot. Dat zij het vervolgens zo ver heeft laten komen dat zij dwangsommen heeft verbeurd is geheel aan Jomo, aldus Staedion.

Staedion heeft Jomo in gebreke gesteld en aangekondigd aanspraak te maken op de contractuele boetes. Begin januari 2016 liet Jomo weten te verwachten spoedig te gaan afnemen. Toen dat niet gebeurde heeft Staedion in kort geding nakoming gevorderd. Toen daarna bleek dat Jomo ondanks de boete wegens niet-nakoming en de in het kortgedingvonnis opgelegde dwangsommen nog steeds haar uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen niet nakwam, waarbij zij wel steeds aan Staedion liet weten dat zij bezig was met een oplossing, heeft Staedion de overeenkomst in april 2016 ontbonden. Juist door herhaaldelijk toe te zeggen te zullen afnemen heeft Jomo de dagboete verbeurd en laten oplopen en door uiteindelijk toch niet af te nemen werd Staedion genoodzaakt de overeenkomst te ontbinden, waarna Jomo ook de ontbindingsboete verschuldigd werd.

Cumulatie Boetes en Dwangsommen

Eerste Aanleg

De rechtbank heeft de vorderingen tegen Jomo toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde wettelijke handelsrente is afgewezen en in plaats daarvan de wettelijke rente is toegewezen. Kort gezegd oordeelde de rechtbank dat de overeenkomst tussen twee professionele partijen is gesloten en de aangedragen omstandigheden niet zodanig zijn dat de billijkheid klaarblijkelijk matiging van de boete eist.  Tegen deze beslissing stelt Jomo hoge beroep in.

Hof

Volgens het hof betreft de overeenkomst een vastgoedtransactie tussen twee professionele partijen. Jomo heeft niet betwist dat het gebruikelijk is om in een dergelijke overeenkomst contractuele boetes op te nemen en dat die boetes zowel een tot nakoming aansporende als een schade-fixerende functie kunnen hebben. Uit de tekst van artikel 11.2 van de overeenkomst volgt volgens het hof dat Staedion ‘de al dan niet subsidiaire keus’ heeft tussen het verzoeken om nakoming (waaraan de dagboete is gekoppeld) en ontbinding van de overeenkomst (waaraan de ontbindingsboete is gekoppeld). Jomo heeft dit ook niet betwist, zo stelt het hof.

Jomo vindt dat zij de boetes niet cumulatief is verschuldigd omdat volgens haar Staedion ten onrechte eerst de dagboetes heeft laten oplopen en veel later dan aangewezen was de overeenkomst heeft ontbonden.

Het hof verwerpt dat verweer. Jomo heeft, anders dan zij stelt, Staedion volgens het hof geruime tijd de indruk gegeven dat zij alsnog het gekochte perceel zou afnemen. In dat licht is het niet alleen voorstelbaar maar ook haar goed recht dat Staedion aanvankelijk ervoor heeft gekozen om afname af te wachten en als prikkel tot nakoming aanspraak te maken op de dagboete en later, als extra prikkel, op dwangsommen.

Het hof vervolgt:

“Toen Jomo het zelfs na het aan haar betekende kortgedingvonnis liet afweten was het tevens Staedions goed recht om de overeenkomst te ontbinden en aanspraak te maken op de ontbindingsboete, naast de reeds verbeurde dagboetes en dwangsommen. Met haar handelwijze, beter gezegd herhaaldelijk nalaten, heeft Jomo dit resultaat over zichzelf afgeroepen. Als professionele partij (vastgoedondernemer) was zij bekend met de met vastgoedtransacties gepaard gaande regels, althans kan zij daarmee bekend worden geacht.”

Wat betreft het beroep op matiging stelt het hof het volgende voorop:

De in art. 6:94 BW opgenomen maatstaf dat voor matiging slechts grond kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, brengt mee dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. (HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638, herhaald in HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:207).

De hiervoor besproken aard van de overeenkomst (een vastgoedtransactie tussen twee professionele partijen), de inhoud en strekking van de daarin opgenomen boetebedingen en de omstandigheden waaronder die bedingen zijn ingeroepen brengen niet mee dat toepassing van de boetebedingen tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt.

Anders dan Jomo lijkt te betogen, hoeft Staedion om aanspraak te maken op cumulatie van de boetes ook niet concreet inzichtelijk te maken wat haar schade is. Dat kan onder omstandigheden anders zijn, bijvoorbeeld indien zich een wanverhouding opdringt tussen de gevorderde boetes en de geleden schade. Voor zo’n wanverhouding bestaat in deze zaak geen aanwijzing, maar bovendien is van belang dat een dergelijke wanverhouding niet zonder meer tot matiging noopt. De hiervoor geschetste omstandigheden (met name het bewust gedurende langere tijd nalaten van Jomo om van Staedion af te nemen) zijn veeleer een contra-indicatie voor matiging. Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat de billijkheid matiging van de contractuele boetes klaarblijkelijk eist (art. 6:94 BW).

Wat betreft de verbeurde dwangsommen overweegt het hof als volgt:

Staedion heeft er terecht op gewezen dat deze hun grondslag vinden in het niet naleven door Jomo van de in het kortgedingvonnis van 18 maart 2016 uitgesproken veroordelingen. Bij gebreke van een hoger beroep tegen dat kortgedingvonnis of een door de dwangsomrechter uitgesproken wijziging is Jomo deze verbeurde dwangsommen gewoon verschuldigd. Daaraan doet niet af dat zij tevens de verbeurde boetes verschuldigd is.

Conclusie

Uit deze zaak wordt duidelijk dat cumulatie van boetes en dwangsommen onder omstandigheden is toegestaan. Zeker indien de boetes en dwangsommen contractueel zijn vastgelegd en het een contract betreft tussen twee professionele (lees: gelijkwaardige) partijen.

Daar komt het volgende bij. Indien een schuldenaar geruime tijd de andere contractpartij indruk geeft dat zij alsnog gaat nakomen, heeft deze houding in de verzuimfase gevolgen. In dat licht is het niet alleen voorstelbaar, maar ook een goed recht van de schuldeiser om eerst nakoming af te wachten en als prikkel tot nakoming aanspraak te maken op dagboete en later, als extra prikkel, op dwangsommen. Deze cumulatie leidt niet automatisch tot een wanverhouding. Sterker nog, de wanpresterende en herhaalde houding van schuldenaar vormt een contra-indicatie voor matiging.